Andersom organiseren

Er is al zoveel gezegd de laatste weken…over (de)radicalisering, over vluchtelingen, over verzuring en individualisme, over schuld en over angst, en ja, altijd ook over onderwijs en de rol die ze speelt in onze maatschappij.

Het prachtige pleidooi van Silke Paesen, leerkracht met een duidelijke visie op onderwijs en het krachtige artikel van David Van Reybrouck over hoe onderwijs op vele vlakken faalt, zijn voor mij nog maar eens duidelijke signalen dat het nu écht tijd is voor verandering. Het onderwijssysteem, zoals we dat nu kennen, werkt niet meer. Het heeft z’n diensten bewezen en deed wat het moest doen voor vele generaties kinderen en jongeren. De tijden zijn echter onherroepelijk, onomkeerbaar veranderd. Daar moeten we ook niet bang voor zijn, het is eigen aan het leven. Laten we dus niet langer halsstarrig vasthouden aan ons traditionele, klassieke onderwijs. Laten we loslaten wat niet meer werkt.

Het bed van Procrustes

Het lijkt wel alsof ons onderwijs het bed van Procrustes[1] geworden is. We doen er alles aan om onze kinderen en jongeren te laten passen in het bed, het huidige onderwijssysteem, in plaats van ‘het bed’ aan te passen aan onze kinderen… Maar ook onze leraren gaan gebukt onder een systeem dat niet langer blijkt aangepast aan de huidige maatschappelijke uitdagingen.

Onze leraren kreunen onder het vele werk, de planlast, de ‘controle’ die zij van bovenaf en buitenaf ervaren. Sommigen geven er vroegtijdig de brui aan: nieuwe leraren verlaten het beroep binnen de 5 jaar nadat ze als leraar begonnen zijn, oudere leraren gaan met vervroegd pensioen, of stappen vervroegd uit omwille van definitieve ongeschiktheid. Bijna de helft van alle afwezigheid door ziekte, is psychosociaal.

Ook de toename van kinderen die niet meer meekunnen in het ‘gewone’ onderwijs is eerder een symptoom van hoe ons onderwijs niet langer past bij de noden van onze kinderen. Zittenblijven en leervertraging, demotivatie, ongekwalificeerde uitstroom, ongelijke onderwijskansen zijn maar enkele van de problemen waar heel wat kinderen en jongeren mee te maken krijgen. Kinderen worden de dupe van een onderwijssysteem dat hopeloos verouderd is.

Andersom organiseren

Natuurlijk rijst dan de vraag: hoe moet het dan wel? Hoe kunnen we ons onderwijs andersom organiseren? Slimmer? Op maat van onze kinderen? Op maat van de noden van onze maatschappij? Passend en inclusief, zonder sociale ongelijkheid te reproduceren? Hoe maak je van een school een slim georganiseerde, innovatieve school waar het kind écht centraal staat en waar de leraar werkbaar werk heeft, waar ouders een positieve inbreng hebben en weer vertrouwen op de expertise van de school en haar leraren? Hoe creëer je een school waar er ruimte is voor meer being, voor het bouwen van relaties, voor het leren samenwerken, voor het durven falen, …? Hoe ziet die school van de toekomst er uit, waar multiculturaliteit, diversiteit en heterogeniteit de norm zijn?

Dat is slechts mogelijk wanneer we ook de structuren van onze schoolorganisatie durven aanpakken. Het moge duidelijk zijn dat wat vroeger werkte, niet langer aangepast is aan de noden en kenmerken van onze kinderen, noch aan die van onze maatschappij. Dat vraagt dus om een bijsturing van het systeem, eerder dan om het blijven proberen aanpassen van het kind.

Een slimme, innovatief georganiseerde school is een school met een duidelijke visie, die de kernopdrachten van het onderwijs samen opneemt en niet versnippert! Een oproep die trouwens heel sterk doet denken aan het pleidooi van bedrijfsleiders als Wouter Torfs: laten we stoppen met de verantwoordelijkheden te versnipperen, maar laten we ze centraliseren.  Wat dus overduidelijk is voor de structuren in ons land, geldt evenzeer voor de structuren in ons onderwijs.

Samenwerken

Wanneer interdisciplinaire teams van leraren en andere schoolmedewerkers samen instaan voor een community van leerlingen en samen de verantwoordelijkheid delen voor die groep van kinderen en jongeren, is het pas echt mogelijk om relaties te bouwen. Deze teams begeleiden kinderen en jongeren over de leerjaren en over de vakken heen, d.w.z. ze werken projectmatig en leeftijdsdoorbrekend. Ze hebben tijd voor meer being, voor het zoeken naar en ontplooien van talenten die nu vaak links blijven liggen. Ze doen aan team-teaching, laten hun vak los en gaan op zoek naar een geïntegreerde aanpak die het leren zinvol en aantrekkelijk maakt.  Ze worden zoveel meer dan de juf van ‘het derde’ of de leerkracht Frans in ‘de tweede graad’.  Ze maken deel uit van een team dat samen verantwoordelijkheid neemt voor het kwalificeren van jongeren, voor het ontwikkelen en versterken van hun talenten, waar kinderen met leerhindernissen (gaande van dyslexie tot hoogbegaafdheid) grondig en efficiënt worden begeleid, waar (h)echte relaties ontstaan die mede zorgen voor een stimulerend leer- en leefklimaat en waar elk kind, kansarm én kansrijk, gelijke onderwijskansen geniet.

Het werken in teams is niet nieuw, zeker niet in de bedrijfswereld waar er grondig wordt nagedacht over visie en waarden, over vlakke, niet-hiërarchische structuren, over autonomie en zelfsturing. Toch blijkt dat nieuwe werken of nieuwe organiseren nog steeds niet de norm te zijn in het onderwijs, alle goede voorbeelden – ook in het onderwijs – ten spijt.

Hoog tijd dus om onze onderwijsstructuren aan te pakken en te durven kiezen voor verandering ten goede van het kind, de jongere én de maatschappij.

[1] Procrustes was een herbergier in het oude Griekenland die voorbijkomende reizigers een bed aanbood. Wat de reizigers niet wisten, was dat zij perfect moesten passen in het bed van Procrustes. Waren ze te kort, dan werden hun ledematen met geweld uitgerokken, tot ze in zijn bed pasten. Waren ze te lang, dan werd er een stuk afgehakt….

 

Advertenties

Werkbaar werk voor leraren: het kan!

Terwijl enkele kranten ook de leerkrachten vertellen dat ze langer zullen moeten werken, zie ik op Facebook meteen de eerste bekommernissen verschijnen. ‘Kunnen we dit wel aan?’ ‘Wat denken we hiervan?’ of zelfs ‘Met mijn klassen is dat niet vol te houden’.

Alle verzuchtingen van leraren ten spijt, zullen ook zij zich moeten neerleggen bij het feit dat we almaar langer leven en dus ook wat langer actief zullen moeten zijn in het onderwijs.

Nochtans zijn de bekommernissen van die leraren oprecht en heb ik er ook begrip voor. Knap wanneer je tot je 60, 65 of 67 voor een klas vol pubers of kleuters kan staan. Ooit stond ik zelf voor de klas, en laat ik u meteen meegeven dat ik dat niét zou kunnen. Dat neemt echter niet weg dat er heel wat oplossingen zijn, die kunnen zorgen voor werkbaar werk!

In eerste instantie denk ik dan aan hoe ons onderwijs anders en slimmer kan georganiseerd worden. Het onderwijsproject van Flanders Synergy (competentiepool en kenniscentrum rond innovatieve arbeidsorganisatie) werkt op dit moment met meer dan 60 onderwijsinstellingen rond anders werken in het onderwijs. Deze scholen (basisonderwijs, secundair en volwassenenonderwijs) en onderwijsondersteuners bekijken hoe zij leerlingen kunnen begeleiden over de schooljaren en over de vakken heen, waarbij zij hun schoolteam organiseren in multi- of interdisciplinaire teams die samen verantwoordelijk zijn voor het kwalificeren van jongeren, hen begeleiden in de ontwikkeling van hun talenten en competenties, waarbij er veel aandacht is voor mogelijke leerhindernissen en een hoge betrokkenheid wordt nagestreefd.

Deze interdisciplinaire teams bieden nu net heel wat opportuniteiten wanneer het gaat over de loopbaan en het werkbaar werk van leraren. Zoals het Ministerie van Onderwijs zelf al aangeeft, is een vorm van mentorschap van de senior leraar perfect mogelijk. Daarbij gaat de expertise en kennis van die leraar tenminste niet verloren en blijven diens competenties beschikbaar voor het team, de leerlingen en de school. Bovendien kan er binnen de organisatie (school, scholengemeenschap of –groep), maar ook daarbuiten bij andere onderwijsverstrekkers of –ondersteuners bekeken worden welke rollen er nog ingevuld kunnen worden met de competenties en expertise van de desbetreffende leraar.

Bovendien denk ik aan hetgeen ik Fons Leroy (gedelegeerd bestuurder van de VDAB) hoorde vertellen over een transitionele arbeidsmarkt. Hij gaf onder andere het voorbeeld van hoe men in (ja daar zijn ze weer) de Scandinavische landen oplossingen vindt voor 55-plussers: men zet de werknemers binnen de eigen organisatie òf elders, zelfs in andere sectoren, in volgens hun competenties. Zo is er het voorbeeld van de oudere brandweerman die men volledig kan inzetten op zijn competenties door te laten doorgroeien naar commandant, maar ook door hem de kans te bieden om in een andere sector te gaan werken (verzekeringen, preventie en veiligheid, …) en hiervoor een grondige opleiding te voorzien.

Ook bij ons moet er in het onderwijs een competentiegericht HR-beleid komen. Dat dat aartsmoeilijk is wanneer we met verschillende statuten blijven werken, is inmiddels duidelijk, omdat het zulke flexibiliteit in de arbeidsmarkt tegenwerkt. Dat vraagt dus om een krachtig beleid.

Waar ik het niet over heb gehad is het fenomeen burn-out, iets wat vooral bij oudere leraren in opmars is. Sommigen geven aan dat ze nog heel graag lesgeven, maar dat de taakbelasting te hoog is. De niet-lesgevende activiteiten liggen als een gigantische last op hun schouders. Ook daar kan het werken in interdisciplinaire teams oplossingen bieden: zo zijn er scholen die er resoluut voor kiezen om binnen elk team iemand uit te kiezen die zich met plezier bezighoudt met de administratieve kant van de lerarenjob.

Wat me opvalt is dat er zoveel mogelijkheden zijn. Veel van die creativiteit in het oplossingsgericht denken en werken komt van de scholen zelf. Zij zien vaak opportuniteiten en gaan ermee aan de slag. Er is heel wat goesting en een mateloze energie in het onderwijsveld om mee te zoeken naar oplossingen. Dat zie ik in mijn job elke dag opnieuw. Wat ontbreekt is een degelijke communicatie tussen het veld (de leraren, de scholen) en degenen die hun belangen behartigen (vakbonden, kabinet). Ik hou dan ook graag een pleidooi voor echte connectivity, in het onderwijs, maar ook tussen onderwijs en de rest van de maatschappij.

Be The Change Teacher’s Day

 bethechange

Be The Change is een programma voor volwassenen gebaseerd op de principes van Challenge Day. Challenge Day biedt jongeren en hun (school)omgeving workshops en programma’s aan waarbij diversiteit, eerlijkheid en expressie van je innerlijke persoon centraal staan.

Deze programma’s gaan verder dan de traditionele anti-pestacties op school en bouwen aan een empathisch en positief schoolklimaat. De Challenge day programma’s zorgen voor een positieve verandering in scholen en bieden oplossingen voor kliekvorming, roddelen en pesten, racisme, geweld, homofobie, eenzaamheid, apathie en nog zoveel meer. Het biedt de jongeren en de school een waaier aan tools om dichter bij elkaar te staan en het welzijn en welbevinden enorm te verbeteren.

Een Be The Change Teacher’s Day draagt bij aan jouw persoonlijke ontwikkeling en helpt je om jongeren dichter bij elkaar te brengen. Je leert om op een authentieke manier met vrienden, familie, je collega’s en ook je leerlingen te communiceren. Bovendien krijg je meer inzicht in de denk- en leefwereld van jongeren.

Wil jij wel weten hoe je het welbevinden van jouw leerlingen kan verbeteren? Wil jij graag concrete tips en tools om nog beter met je leerlingen om te gaan en hen kracht en zelfvertrouwen te geven? Kom dan zeker naar de volgende Be The Change Teacher’s Day op 10 februari 2015. . Wij kijken ernaar uit om je te ontmoeten!

Voor meer informatie, druk op de knop

takeaction

Be The Change – Challenge Day

Ooit van gehoord? Ooit een uitzending gezien van ‘Over de Streep’ op de Nederlandse TV? Toen ik het een aantal jaren geleden voor het eerst zag, dacht ik ‘wow, dit is fantastisch. Deze mensen zijn bezig met de essentie: het kind/de jongere in al zijn facetten.’ Voor wie het nog niet kent, deze video vertelt je er meer over….

Waarom vind ik dit nu zo fantastisch? Omdat het kinderen en jongeren – en bij uitbreiding ook volwassenen – toelaat om hun hele mens-zijn te laten meetellen in hun (school)verhaal. Niet alleen de cognitieve prestaties, niet alleen het talent, niet alleen het al dan niet gewenste gedrag van de jongere speelt een rol, maar er is eindelijk ook aandacht voor alles wat hem of haar tot mens maakt… Zijn emoties, zijn verleden, zijn sociaal-economische achtergrond, zijn angsten, zijn drijfveren, en zo kan ik nog even doorgaan.

Neem nu deze ijsberg. under-water-the-iceberg-from-dark-blue-nature-sea-16177110% ervan drijft boven het water, terwijl een gigantische massa zich onder water bevindt. Die 10% die zichtbaar is, kunnen we vergelijken met het ‘imago’. Imago is datgene wat we tonen aan een ander. Aan hoeveel mensen laat jij méér zien dan je imago? Hoeveel mensen kennen je in je totaliteit, of toch ten minste meer dan je imago? Wie kent (al) je angsten, je drijfveren, je verleden, je traumatische of minder traumatische gebeurtenissen, je hoop, je dromen? Heel vaak gaat het dan enkel om mensen die je goed kent, mensen die je vertrouwt, mensen die veel betekenen in je leven.  Wat denk je dan dat de jongere in je klas jou en zijn/haar medeleerlingen laat zien?!?

Veel te vaak treden we in communicatie met elkaar van imago tot imago (de 10% die boven het water drijft) terwijl we misschien toch echt moeten proberen om van mens tot mens te spreken, van ‘ons echte zelf’ tot ‘ons echte zelf’. Dat dit een krachtige vorm van communicatie is, heb ik zelf mogen ervaren. Vorige week immers waren Yvonne en Rich Dutra St. John in het mooie Limburg en brachten er een speciale Be The Change voor Leraren. Het was voor mij zonder enige twijfel de mooiste dag van 2014, met hele gewone mensen die toch heel bijzonder bleken. Een dag vol emoties en een fantastische les in authenticiteit en échte, menselijke communicatie. Het heeft me geleerd om niét bang te zijn om méér te laten zien dan mijn imago. Dat wordt een fantastische uitdaging, een mooi proces waarin ikzelf – als onderwijsmens, als moeder, als partner, als collega, als dochter, als vriendin – hoop te groeien in authenticiteit.

Als onderwijsmensen vergeten we nog te vaak dat al die kinderen en jongeren op school méér zijn dan een vat dat moet gevuld worden met kennis. Het gaat om jonge mensen die hun eigen 90% meedragen die ze zelden of nooit laten zien. Challenge Day leert jongeren om op een ander – dieper, menselijker – niveau met elkaar om te gaan.  Ook in de klas kan je als leraar leren om beter met je leerlingen om te gaan (jawel, ook die hele ‘moeilijke’ leerling waarvan je stiekem denkt dat er niets mee aan te vangen is).  Samen met andere leraren heb ik dat tijdens de BTC-dag voor leraren mogen ervaren. De tips die ik heb meegekregen zijn volgens mij bijzonder waardevol in en buiten de klas en de school.

Wetenschappelijk onderzoek toont aan dat om te leren, er eerst een basis van veiligheid en welbevinden moet zijn. Het lijkt me voor de hand liggend dat we met het gedachtegoed van Be The Change aan de slag gaan, ook in onze Vlaamse scholen.  Mijn inziens leidt zo’n Challenge Day tot een écht beleid tegen pesten en cyberpesten, tot grotere verdraagzaamheid, tot meer begrip en tot een authentieke relatie tussen jongeren onderling en tussen jongeren en hun leraren.

Wil jij ook zo’n Be The Change voor leraren meemaken?  Dat kan, want Yvonne en Rich komen heel waarschijnlijk terug naar België in februari (stuur een berichtje als je hiervan op de hoogte wil blijven).  Je vindt meer info over hen en hun organisatie op de website van Challenge Day.

 

Kids need more play, not more school

Een hele mooie en interessante boodschap van Peter Gray, omtrent het belang van vrij spelen bij kinderen.

Het zou ons allemaal zorgen moeten baren dat de drastische reductie van het vrije spel tot minder sociaal competente, meer depressieve en minder empatische kinderen en volwassenen leidt.  We vragen ons almaar af waarom onze maatschappij zo individualistisch is geworden… Misschien ligt hier wel een stukje van het antwoord op die vraag?!

Lees ook ‘Free to Learn‘, het boek van Peter Gray

Wat telt?

Mooie en valabele boodschap van Frans Droog

Droog's

d994b8fcba7dee6e747323269766c97fGisterenmiddag had ik een korte discussie met een collega. Hij klaagde over de vele lesuitval door allerlei andere activiteiten. Excursies bijvoorbeeld.

Hij doelde natuurlijk op lesuitval voor ZIJN VAK.

Nu is dit een zeer toegewijde collega die zelf ook excursies organiseert. En die zijn ‘natuurlijk’ belangrijk, want daar leren leerlingen, in en van de praktijk.

Ik vroeg hem naar het verschil.

Ja, dat was waar. Dat was een misschien een beetje inconsistent.

Maar dan die andere lesuitval, omdat al die docenten zo nodig op een cursus moeten?

“Maar als de docent er niet is kunnen de leerlingen toch wel leren? “ vroeg ik hem, min of meer retorisch.

“Ja, maar doen ze dat ook? En hoe weet je dat?”, was zijn reactie, niet onverwacht.

“Bij mij wel”. Zonder twijfel durf ik dat inmiddels uit te spreken.

“Hoe weet je dat dan?”

“Ik geef ze een opdracht, digitaal, die pas bij ze…

View original post 245 woorden meer

Over weerstand en oppositie

weerstand3Weerstand.  Het is – en dat wist ik niet – een oorlogsterm.  Wanneer je de Engelse of Franse term gebruikt, leg je waarschijnlijk veel makkelijker de link.  The resistance.  La résistance. Een belangrijke groep van mensen die tijdens de oorlog weerstand bood tegen de bezetter.  Hoewel het hier enkel gaat om terminologie en ik daarover geen discussie wil voeren, blijkt het toch een erg ge/beladen en emotionele term.

Een zeer erudiet man legde me onlangs uit dat ‘oppositie’ een betere term zou zijn wanneer we spreken over mensen die niet mee (lijken te) willen .  Volgens hem gaat het veeleer om een politiek ‘spel’ waarbij eenieder een positie inneemt.  In het geval van oppositie, staat die persoon niet naast je, maar tegenover je. Wil dat zeggen dat ie niet mee wil? Blijkbaar niet.  Blijkbaar wil ie alleen maar zeggen: ik wil dit eerst eens bekijken, erover nadenken, erover praten, vooraleer ik ermee akkoord ga.

weerstand2

Het is wat anders wanneer je ziet dat de ander  met de hakken in de grond de armen kruist en je vervolgens uitdagend aankijkt en volmondig ‘neen, ik doe niet mee’ zegt, zonder enige opening voor overleg en communicatie.  In dergelijke situatie blijf ik vasthouden aan de term ‘weerstand’ én aan de beladenheid ervan.

Wanneer ik kijk naar het onderwijs, ervaar ik daar veel weerstand.  Of moet ik zeggen ‘oppositie’?  Ik ben er niet uit.  Misschien is het belangrijk om even te kijken naar de achterliggende psychologie van weerstand of oppositie die gepaard gaat met verandering.  Blijkbaar gaan mensen in een veranderingstraject door vier ‘kamers’.  (Hier vind je kort en bondig wat meer informatie daarover.) Het is belangrijk dat je dit proces toelaat, dat je begrijpt dat mensen in een veranderingstraject nu eenmaal door alle kamers heen moeten, dat je hen het recht geeft om er enige tijd te vertoeven én om te beseffen dat je zelf al een heel eind verder zit.

Dit vierkamermodel is voor mij een openbaring en tegelijkertijd een leidraad om veel genuanceerder te praten met mensen over wat een mogelijk veranderingstraject voor hen kan betekenen.  Het heeft mij in ieder geval geleerd om hen met heel wat meer empathie en nieuwsgierige openheid te benaderen.  Ik ben ervan overtuigd dat we op die manier meer ruimte zullen creëren om niet zozeer oppositie te voeren, maar om elkaars angsten, onzekerheden en onrust te duiden en stuk voor stuk aan te pakken, op weg naar een innovatieve organisatie die betrokkenheid en welbevinden met zich meebrengt.

Of het ook zal lukken?  Ik ben overtuigd van wel.  Natuurlijk hoor ik overal zeggen dat er veel ‘weerstand’ is bij leerkrachten, maar wellicht hebben ze al zo lang moeten vechten voor hun plekje in een organisatie die steeds meer van hen is gaan vragen en daar steeds minder voor wou teruggeven, dat het niet echt verwonderlijk is.  Daarover meer in een volgende blogpost… 🙂

weerstand4